Uitspraak in het Plat: /ɡasthuːz/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gast·huus
Pluralis: Gast­hüüs n dat Gast­huus Noord-Nedersaksisch, Pommersch
Pluralis: Gast­hü­ser n dat Gast­huus Westfaals, Noord-Nedersaksisch, Oostfaals, Märkisch, Pommersch
Pluralis: Gast­hu­sen n dat Gast­huus
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
inn
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: Gast + Huus