zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fisch·nett
Pluralis: Fi­sch­net­ten n dat Fi­sch­nett
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Voorbeelden:
De Fischer smitt dat Fischnett ut.

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: Fisch + Nett