zelfstandig naamwoord
Afbreking: Plan·ter
Pluralis: Plan­ters m de Plan­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Is de Boom groot, is de Planter doot.

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: planten + -er