Uitspraak in het Plat: /bɾuːzɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: bru·sig
brusiger brusigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
He hett en ganz brusigen Kopp.
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
störmsch (Wedder), opwöhlt (de See)
Engels:
Voorbeelden:
De Wind weiht vondaag so brusig.

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: brusen + -ig