Uitspraak in het Plat: /labəɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: lab·be·rig
labberiger labberigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
unangenehm week
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
laf
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
De Supp smeckt so labberig.

Etymologie:

Woord afgeleid van: -ig