Bu­ten­lucht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbuːtn̩ˌlʊxt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bu·ten·lucht
f de Bu­ten­lucht
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: buten + Lucht