poll­soor in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔlˌzɔu̯ɾ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: poll·soor
pollsorer pollsoorst
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Poll + soor