Starf­huus in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsta͡ɐ·fˌhuːz/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Starf·huus
Plural: Starf­hüüs n dat Starf­huus
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: starven + Huus