Kant­haak in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkantˌhɔːˑk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kant·haak
Plural: Kant­ha­ken m de Kant­haak
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kant + Haak