Schö­tel­wa­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃøː·təlˌvɔː·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schö·tel·wa·ter
n dat Schö­tel­wa­ter
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schötel + Water