bir­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɪ͡ɐ·sɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: bir·sig
birsiger birsigst
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
opreegt (von’t Veh)
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: birsen + -ig