Arfdeel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa͡ɐfˌdɛːl/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Arf·deel
Plural: Arfde­len n dat Arfdeel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Andeel an en Arv
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Arv + Deel