Kai­ser­riek in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkaɪ̯·zɐˌɾiːk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kai·ser·riek
Plural: Kai­ser­rie­ken n dat Kai­ser­riek
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Riek, över dat en Kaiser herrscht
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Keiser + Riek