Matt­haak in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmatˌhɔːˑk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Matt·haak
Plural: Matt­ha­ken m de Matt­haak
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Matt + Haak