Scheel­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɛːlkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Scheel·ken
Plural: Scheel­kes n dat Scheel­ken
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Holger.Ellgaard, CC BY-SA 3.0
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Ünnertass
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Schaal + -ken