Af­stamm in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈafˌstam/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Af·stamm
Niet gebruikt het pluralis m de Af­stamm
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De Bull hett en goden Afstamm.

Etymologie:

Woord afleidt van: afstammen