Goor­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɔː͡ɐ·nɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Goor·ner
Plural: Goor­ners m de Goor­ner
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
een, de en Goorn pleggt
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Gooren + -er