Pa­keet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔː·kɛːt/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pa·keet
Plural: Pa­ke­ter n dat Pa­keet
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Packen
Engels:
=
packet
Duits:
=
Paket