Or­gaan in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɔɾˈɡɔːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Or·gaan
Plural: Or­gaan n dat Or­gaan
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Deel von’n Lief mit en bestimmt Opgaav
Duits:
=
Organ