Hon­nig­me­loon in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔ·nɪç·mɛˌloːˑn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hon·nig·me·loon
Plural: Hon­nig­me­lo­nen f de Hon­nig­me­loon
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Honnig + Meloon