Klööv­holt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkløːy̯fˌhɔlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Klööv·holt
n dat Klööv­holt
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: klöven + Holt