Kast­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkastˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kast·tiet
Plural: Kast­tie­den f de Kast­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kast + Tiet