Küs­sen­teek in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkʏsn̩ˌteɪ̯k/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Küs·sen·teek
Plural: Küs­sen­te­ken f de Küs­sen­teek
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Küssen + Teek