gne­ge­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡnɛː·ɡə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: gne·ge·lig
gnegeliger gnegeligst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: gnegeln + -ig