Grä­ver in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɾɛː·vɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Grä·ver
Plural: Grä­vers m de Grä­ver
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
spa
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: graven + -er