knuf­fig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈknʊ·fɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: knuf·fig
knuffiger knuffigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: knuffen + -ig