Ried­ste­vel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾiːtˌstɛː·vəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ried·ste·vel
Plural: Ried­ste­veln m de Ried­ste­vel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: rieden + Stevel