Sche­rels in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɛː·ɾəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sche·rels
Niet gebruikt het pluralis n dat Sche­rels
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: scheren + -els