un­be­schuff­t in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ʊn·bə·ʃʊft/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: un·be·schufft
unbeschuffder unbeschufdst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: un- + be- + -t