Wes­sel­beer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛ·səlˌbɛːˑ͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wes·sel·beer
Plural: Wes­sel­be­ren f de Wes­sel­beer
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:

Etymologie:

Woord afleidt van: Beer