Sa­tel­lit in het Nedersaksisch

Uitspraak: /sa·tɛˈliːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sa·tel·lit
Plural: Sa­tel­li­ten m de Sa­tel­lit
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
künstlich Maand
Nederlands:
Engels:
Duits: