Dree­poot in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɾɛɪ̯ˌpɔˑu̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dree·poot
Plural: Dree­po­ten m de Dree­poot
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: dree + Poot