Piep­aant in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpiːpˌɔːnt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Piep·aant
Plural: Piep­aan­ten f de Piep­aant
[1]
perifere woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: piepen + Aant