Slag­a­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈslaçˌɔː·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Slag·a·der
Plural: Slag­a­dern f de Slag­a­der
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Slag + Ader