tähn­loos in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɛːnˌlɔu̯s/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: tähn·loos
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Tähn + -loos