Zick­lamm in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈt͡sɪkˌlam/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Zick·lamm
Plural: Zick­lam­mer n dat Zick­lamm Friesen-Gruppe, West-Grupp, Westfälisch, Nordniedersächsisch
Plural: Zick­läm­mer n dat Zick­lamm
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Lamm von Zegen
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Zick + Lamm