Koh­heerd in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɔu̯ˌhɛɪ̯ɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Koh·heerd
m de Koh­heerd
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Koh + Heerd