he­vig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɛː·vɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: he·vig
heviger hevigst
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
hevig
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: heven + -ig