Hie­raat in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhiː·ɾɔːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hie·raat
Plural: Hie­ra­ten f de Hie­raat
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: