zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kiss·kalf
Pluralis: Kiss­kal­ver n dat Kiss­kalf Friesen-groep, West-groep, Westfaals, Mecklenburgisch, Pommersch
Pluralis: Kiss­käl­ver n dat Kiss­kalf Westfaals, Märkisch
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
jungKalf
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
figuratief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afgeleid van: Kalf