Hu­scher in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈhʊ·ʃɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hu·scher
Pluralis: Huschers m de Hu­scher
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: -er