ut­kaakt in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈuːtˌkɔːkt/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ut·kaakt
utkaakter utkaaktst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: utkaken