Veer­mas­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɛɪ̯ɾˌmas·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Veer·mas·ter
Plural: Veer­mas­ters m de Veer­mas­ter
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Ik heff maal en Hamborger Veermaster sehn!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: veer + Mast + -er