Lehr­stünn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlɛː͡ɐˌstʏn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Lehr·stünn
Plural: Lehr­stün­nen f de Lehr­stünn
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
les
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: lehren + Stünn