As­tro­loog in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /as·tɾɔˈlɔˑu̯ç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: As·tro·loog
Pluralis: Astrologen m de As­tro­loog
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
een, de sik mit Astrologie befaat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: astro + -loog