Kopp­krank­heit in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɔpˌkɾank·haɪ̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kopp·krank·heit
Plural: Kopp­krank­hei­den f de Kopp­krank­heit
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kopp + Krankheit