Fuh­renkamp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfuː·ɾənˌkamp/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fuh·ren·kamp
Plural: Fuh­renkämp m de Fuh­renkamp
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Fuhr + Kamp