Jö­kel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈjøːy̯·kəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Jö·kel
Plural: Jö­kels m de Jö­kel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: