Per­son in het Nedersaksisch

Uitspraak: /pɛɾˈzoːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Per·son
Plural: Per­so­nen f de Per­son
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Minsch, Individuum
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples: