Rat­scher in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɾat·ʃɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Rat·scher
Pluralis: Ratschers m de Rat­scher
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ratschen + -er